Vragen? Bel +31 (0) 30 602 16 17
Pierre Spaninks, ZZP-expert

Een scholingsplicht voor alle werkenden? Niet doen!

Pierre Spaninks, ZZP-expert op 24 april 2017

Moet er een scholingsplicht komen voor alle werkenden? In de achtste uitzending van Werkverkenners gaat Rens de Jong op zoek naar een antwoord - dinsdag 24 april tussen 19:00 en 19:30 op BNR Nieuwsradio.

Vorig jaar lanceerde minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn plan voor een Nationaal Scholingsfonds. Iedereen die werkt zou daar premie voor moeten gaan betalen en iedereen die werkt, zou in ruil daarvoor trekkingsrechten krijgen voor opleidingen en trainingen, om daardoor duurzaam inzetbaar te blijven op de arbeidsmarkt.

En om het allemaal wat minder vrijblijvend te maken, voegde Asscher daar een periodieke keuring aan toe. Al die werkenden moesten zich ook eens in de zo veel tijd laten doorlichten, of hun kennis en kunde nog wel up tot date waren en of het geen tijd werd om weer eens in de schoolbanken plaats te nemen. 

Een scholingsplicht zou in die gedachtegang het sluitstuk zijn. Want als je de mogelijkheden krijgt, dan moet je er gebruik van maken ook. Anders zwaait er wat, dat is logisch. Maar is het ook wijsheid? Ik dacht het niet.

Een op zich juiste gedachte

De achtergrond van het voorstel van Asscher was een op zich juiste gedachte. Namelijk dat mensen die net hun initiële opleiding hebben afgerond, op de arbeidsmarkt misschien wel een tijdje voort kunnen met wat zij hebben geleerd, maar dat veel van het geleerde slechts beperkt houdbaar is. In delen de wereld van het werk (niet in alle!) gaan de ontwikkelingen zo snel, dat je je al na een paar jaar moet bijscholen. Nog afgezien van het feit dat niet alleen het werk maar ook de mens zich ontwikkelt en na verloop van tijd best eens behoefte kan krijgen om de bakens te verzetten. Vaker wel dan niet is er enige omscholing nodig om dat met succes te doen.

Gekke Henkie

Asscher had ook nog een concrete aanleiding voor zijn plan. Van oudsher loopt een groot deel van de bijscholing van werknemers via de per sector georganiseerde scholingsfondsen. Die fondsen presteren al jaren onder de maat. Ze zijn log en bureaucratisch, en er blijven enorme bedragen op de bank staan omdat er te weinig belangstelling is voor hun aanbod. De kracht én de zwakte van de scholingsfondsen is dat de bekostiging en de besteding sectoraal zijn geregeld. Daardoor staan ze althans in theorie dicht bij de praktijk. Maar met een ding kunnen ze niet uit de voeten, en dat is dat steeds meer opleidingsbehoeften niet sectorspecifiek zijn maar sectoroverstijgend.

De besturen van de fondsen (vertegenwoordigers van eveneens sectorale organisaties van werkgevers en werknemers) hebben uit zichzelf hebben niet de neiging om in die overstijgende behoeften te voorzien. ‘Gekke Henkie die zijn werknemers gaat opleiden voor de concurrent’, is daar het idee. En aan externe prikkels om dat alsnog te gaan doen, ontbreekt het ten enenmale. Dat het zo niet verder kan, daar zijn we het gauw over eens.

Tot zover is het voorstel van Asscher alleszins begrijpelijk, en qua zorg om de medemens nog wel sympathiek ook. Maar er zit een lelijke adder onder het gras. Als het er geen twee zijn. Of zelfs drie.

ZZP’ers zijn ondernemers

Eerste adder: Asscher kon de verleiding niet weerstaan om in zijn grootse plannen meteen de zzp’ers mee te nemen. Vanuit het idee dat zij uitgebuite werknemers zijn zonder rechten, ook zonder recht op scholing. Dus moesten die mee gaan betalen, dus mochten die ook aan de opleidingen mee gaan doen, en dus moesten ze ook op gezette tijden met hun plasje naar de dokter. 

Probleem is allen dat die analyse niet klopt en de oplossing dus ook niet. Om te beginnen daalt de deelname aan scholing misschien onder werknemers, maar neemt die onder zzp’ers die juist toe. Zeker als we niet alleen aan de gangbare vormen denken maar ook zelfstudie meetellen, R&D-achtige activiteiten en online cursussen. 

En zzp’ers zijn natuurlijk geen werknemers die een loopbaan doormaken door een functiegebouw waar zij van stap tot stap bij de hand genomen moeten worden omdat ze anders hun werkgever tot last worden. In overgrote meerderheid zijn zzp’ers ondernemers die niet beter weten dan dat ze dag in dag uit aan hun eigen employability moeten werken, gewoon omdat ze anders binnen de kortste keren out of business zijn.

Omdat eerdere ministers dan Asscher dat ooit onderkend hebben, mogen zzp’ers als ondernemers de kosten van hun scholing in mindering brengen op hun bedrijfsresultaat of ze als aftrekpost opvoeren in de inkomstenbelasting. Goed geregeld, geen probleem aanwezig, geen oplossing nodig.

Bureaucratische nachtmerrie

Tweede adder: als de sectorale organisaties van werkgevers en werknemers al niet in staat zijn om hun sectorale fondsen naar behoren te laten functioneren, waarom zouden hun landelijke organisaties dan wel in staat zijn om van een nog op te richten landelijk fonds een succes te maken? Waarin zij ook nog eens strategischer verder naar de toekomst moeten kijken en bovendien ook recht moeten doen aan de belangen van zzp’ers?

In plaats van het probleem op te lossen waar het oplosbaar is, tilt Asscher het naar een niveau waar het onoplosbaar wordt. Zo’n Nationaal Scholingsfonds kan niet anders worden dan een bureaucratische nachtmerrie waar beroepsbestuurders en ambtenaren ver boven de werkvloer elkaar onnuttig gaan bezighouden.

Zelf nadenken, eigen keuzes maken

En vooruit, de derde adder, die misschien wel de meest venijnige is: een scholingsplicht invoeren is het paard achter de wagen spannen en gaat alleen maar het tegendeel bereiken van wat we graag willen. Dat is niet alleen dom, dat is ook nog eens slecht.

Waar we vandaan komen, is dat we jonge mensen opvoeden en opleiden in de waan dat er na de diploma-uitreiking een vaste baan op hen wacht bij een werkgever die tot en met het gouden klokje bij een veertigjarig dienstverband voor hen zal blijven zorgen.

Dáar had een scholingsplicht misschien bij kunnen passen. Want als mensen geloven dat ze een baan voor het leven hebben, waarom zouden ze dan tijd en geld investeren in periodiek onderhoud van hun kennis en vaardigheden? Ze kunnen toch niet worden ontslagen, dus wat zouden ze zich druk maken.

Het probleem is echter dat we inmiddels allemaal weten (ook degenen die het om het hardst ontkennen) dat die vaste baan voor het leven niet meer bestaat en dat die ook nooit meer terugkomt. En toch blijven de vakbonden en hun politieke vrienden doen alsof dat wel zo is. Want als zij dat idee zouden loslaten, zouden mensen weleens voor zichzelf kunnen gaan nadenken en hun eigen keuzes kunnen gaan maken.

Robotisering

Maar hee: dat is toch juist waar we behoefte aan hebben, voor onze economie, voor onze samenleving, voor onze toekomst, aan mensen die zelf nadenken en die hun eigen keuzes maken? Overal om ons heen zien we ontwikkelingen die de toekomst minder zeker maken in plaats van meer.

Neem alleen al de robotisering. We zien wel lijstjes van functies die binnen de kortste keren door bliepende automaten zullen worden vervangen en van beroepen waar dat van zijn lang zal ze leven niet gaat gebeuren, maar wat zijn die lijstjes waard?

In feite weten we niet wat de gevolgen van die robotisering zullen zijn, waar die zich zullen voordoen, wanneer en hoe. We weten niet eens hoe we daar achter zouden kunnen komen, anders dan door het te ervaren en er onze weg in te vinden. Het enige wat we weten, is dat we het niet weten. Niet zekerheid is meer de normale toestand van de werkende mens, maar onzekerheid.

De grootste nood is er bijgevolg aan acceptatie van die fundamentele onzekerheid, aan een mindset die het mogelijk maakt die als een kans te zien in plaats van als een bedreiging, aan de kennis en vaardigheden die nodig zijn om die kansen te grijpen en er wat van te maken, en (van dat alles afgeleid) aan arrangementen en instituties die dat ondersteunen.

Leiderschap

Eigenlijk komt het erop neer dat de werkende mens, jong of oud, moet gaan inzien dat hij of zij zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen lot. Wat dat betreft zitten we allemaal in hetzelfde schuitje. We kunnen elkaar daar wel bij helpen, maar niemand kan die verantwoordelijkheid van ons overnemen.

Leiderschap, in deze nieuwe context, is mensen helpen die nieuwe toestand onder ogen te zien. Hen helpen te accepteren dat ze hun huiswerk moeten gaan maken. Dat een ander dat niet voor hen gaat doen en niet voor hen kán doen.

Nu een scholingsplicht instellen, is het stomste wat we kunnen doen. Want dan bevestigen we werknemers alleen maar in hun misleide vertrouwen, in hun afhankelijkheid en in hun passiviteit. Hoe slecht is dat, om aan de ene kant te weten dat je mensen geen zekerheid kunt bieden en hen aan te andere kant te verhinderen met onzekerheid te leren omgaan?

In plaats van zzp’ers te dwingen zich te schikken in een stelsel voor scholing dat niet werkt, moeten we werknemers scholing gaan bieden die wel werkt. Dat begint heel fundamenteel bij ophouden met spreken over ‘vaste banen’. Als we dat gewoon ‘contracten voor onbepaalde tijd’ noemen, wat het ook zijn, dan snapt iedereen wat er op het spel staat: er zit een tijd aan, we weten alleen nu nog niet welke tijd. Het kan tien jaar duren, maar het kan ook volgende maand voorbij zijn. Dan is het meteen een stuk makkelijker te accepteren dat je moet zien bij te blijven.

Vandaar: als Rens de Jong zich in Werkverkenners van 25 april de vraag stelt of er een scholingsplicht moet komen voor alle werkenden, en als zijn gasten hem helpen daar antwoord op te krijgen, dan hoop ik dat er ook iemand bij is die zegt: ‘Nee, niet doen!’